Oefening in de Bijbelse eschatologie 8

Oefening in eschatologie 8

Terugblik

Het is de Heere Jezus die met het begrip de verwoestende gruwel – in Marcus 13:14 en Mattheus 24:15 – bijzondere aandacht vraagt voor het boek Daniël. Feitelijk is de term ‘de verwoestende gruwel’ reeds voldoende, omdat die term viermaal in het boek Daniël voorkomt. De Heere ziet voor de toekomst een vergelijkbare scene aankomen als met het beeld van Zeus in de tempel in de tijd van Antiochus Epiphanes IV. Er zijn verschillen – zo lijkt het ditmaal niet om een beeld maar om een persoon te gaan – maar de overeenkomsten helpen zeker om aan te voelen wat de Heere wil zeggen.

Vooruitblik

Nadat we de eschatologie van de Heere Jezus van wat dichterbij hebben bekeken wenden we ons tot die van de apostel Paulus. Er zijn wel uitspraken van de apostel over de toekomst bekend. Als in de gemeente in Thessalonica de verwachting van de zogenaamd ‘nabije wederkomst’ dramatische vormen aanneemt, laat Paulus merken Daniël goed gelezen te hebben. Er zijn volgens Daniël namelijk bepaalde begeleidende verschijnselen die aan Gods ingrijpen vanuit de hemel – oftewel de wederkomst van Christus – vooraf gaan. Paulus kan de gemeente dan ook geruststellen. Het is nog niet zover. Bij het maken van de vragen zullen sommige antwoorden opnieuw – de eerste letter – als code fungeren die de toegang opent om ook het verhaal te lezen. Behalve de eschatologie van Paulus in 2 Thessalonicenzen 2, laat de apostel zich ook uit over de toekomst van zijn volk Israel namelijk in Romeinen 11.

De achtste oefening

De achtste oefening in eschatologie probeert de vinger te leggen bij de eschatologie van de apostel Paulus. De apostel komt in Romeinen 11 met een niet ongunstige toekomstverwachting voor het Joodse volk. We gaan kijken welke factoren daarbij een rol spelen. In het 2de hoofdstuk van de 2de brief aan de Thessalonicenzen geeft Paulus een kleine eschatologie. Het lijkt een goed idee om ook die van wat dichterbij te bekijken.

Romeinen 11:1-36
1 Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.
2 God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift zegt in de geschiedenis van Elia, hoe hij God aanspreekt over Israël en zegt:
3 Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven.
4 Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tegen hem? Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
5 Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade.
6 Maar als het door genade is, is het niet meer uit de werken, anders is genade geen genade meer. En als het uit de werken is, is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer.
7 Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard,
8 zoals geschreven staat: God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.
9 En David zegt: Laat hun tafel voor hen worden tot een strik, tot een valkuil, tot een struikelblok en tot vergelding.
10 Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien en maak hun rug voor altijd krom.
11 Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.
12 Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en hun verlies rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!
13 Want tegen u, de heidenen, zeg ik: Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk,
14 om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden.
15 Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?
16 En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.
17 Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom,
18 beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.
19 U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.
20 Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.
21 Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.
22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.
23 En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.
24 Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.
25 Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.
26 En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
27 En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.
28 Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.
29 Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.
30 Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid,
31 zo zijn ook zij nu ongehoorzaam geworden, opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen.
32 Want God heeft hen allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen.
33 O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!
34 Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden? 36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

2 Thessalonicenzen 2:1-17
1 En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem,
2 dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn.
3 Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is,
4 de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.
5 Herinnert u zich niet dat ik u deze dingen zei, toen ik nog bij u was?
6 En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt.
7 Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is.
8 En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst;
9 hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen,
10 en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden.
11 En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven,
12 opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
13 Maar wij moeten God altijd voor u danken, broeders, die geliefd bent door de Heere, dat God u van het begin verkoren heeft tot zaligheid, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid.
14 Daartoe heeft Hij u geroepen door ons Evangelie om de heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus te verkrijgen.
15 Sta dan vast, broeders, en houd u aan de overleveringen waarin u onderwezen bent door ons woord of door onze brief.
16 En onze Heere Jezus Christus Zelf en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad en ons een
eeuwige troost en goede hoop gegeven heeft uit genade,
17 moge uw harten vertroosten en u in elk goed woord en werk versterken.

De achtste vraagstelling

Lees Romeinen 11 en wil de vragen beantwoorden.
Er lijkt in Romeinen 11 wel sprake van goed en slecht nieuws. Wat slecht nieuws is voor het Joodse volk is goed nieuws voor de niet-Joden. Het feit dat het Joodse volk de Messias en – bij meerderheid – ook het Evangelie heeft verworpen, betekent goed nieuws voor de heidenen aangezien God zondige en goddeloze mensen door het bloed en de Geest van Christus kan en wil reinigen van zonden. Wanneer de gelovigen uit de volken zich beter gaan voelen dan het Joodse volk, lijken de kansen weer te keren.

1. Met welke straf – vers 7 – reageert de HEERE wanneer het Joodse volk vrij massaal de Heere Jezus en het Evangelie afwijst? Naast bovenstaande straf verlegt God Zijn sympathie ook naar de andere volken. Op welke manier is bovenstaande wending in Gods sympathie voor Paulus – als heidenapostel – toch een uitdaging in de richting van het Joodse volk? Houdt Paulus het echt voor mogelijk dat het Joodse volk – dat de Heere Jezus als Messias afwezen en ook het Evangelie aanvankelijk niet accepteerde – later van gedachten zal veranderen? Is er iets wat maakt dat God op Zijn beslissing terug kan komen? Wat moeten de christenen uit de volken vooral niet doen in de richting van het Joodse volk? Zie vers 18 voor het code-woord.

De letter is: